Mijn
God, ik wist niet wat het was:
een
handvol bittere en lieflijke
werkelijkheid,
een handvol liefde:
een
lichaam dat breekt met het breken van het licht.
Dat
mijn vingers haar lichaam tekenen,
op
zichzelf betekent het weinig.
Maar
dat het dier hier onder mijn borstbeen
roept
als een ster en haar kent,
mijn
God, dat is het harde van de liefde,
is
een vallende stersteen, een geduldige zon,
is
het wanhopig tasten naar menselijke tweevoud,
is
de eindelijke en glanzende kalmte
van
het goede bestaan op een onderworpen
en
trotse en sprakeloze aarde.
Hans
Andreus